Echtgenoot van Richmonda
Louise Dorothea von Dael tot Eyll
Bij decreet van Keizer Napoleon I van 27 januari 1813
verheven tot Baron de l'Empire.
Volledige naam Judocus Henricus
Antonius Adrianus Josephus Joannes van der Heyden van Baak.
Staatsraad in buitengewone dienst. Over Joost had
ik een gesprek op zondag 10 december 1995 in Kasteel Middachten
met Ernest
Helmich uit Baak. Volgens Ernest is Joost op het toppunt
van zijn macht een schatrijk iemand geweest. "Hij bezat
de halve Achterhoek", aldus Ernest.
Koekkoek schrijft over hem:
"Johan
Everard Canisius kreeg als opvolger zijn oudste zoon Joost Hendrik Anton Adrian Joseph Johan
geboren 25 februari 1765 te Doetinchem (Meestal wordt hij aangeduid
met de eerste drie voornamen). Behalve heer van Baak was hij
ook heer van Meijerink, Luynhorst, Leemkuyl en Doornenburg. Hij
trouwde 26 mei 1789 te Weeze (Dld) met Richmund
Louise Dorothea van Daell tot Eyll. Zoals in het geslacht
van de "Van Backs" Willem (de Oude) een hoogtepunt
vormde, zo bereikte het geslacht Van der Heijden van Baeck onbetwistbaar
een top in Joost Hendrik Anton,
zowel wat invloed en aanzien als wat rijkdom betreft. Hij werd
Staatsraad in buitengewone dienst van Zijne
Majesteit de koning, hij kreeg in 1822 officieel de titel
van baron toegekend, werd opgenomen in de Ridderschap van Gelderland
en kreeg de onderscheiding van Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
En wat zijn rijkdom betreft: In 1843 bezat J.H.A. van der Heijden
in de gemeente Steenderen 635 ha en in de gemeente Hengelo ruim
689 ha. Hij had bovendien nog bezittingen in verschillende andere
gemeentes. Tot de Hengelose bezittingen hoorden onder andere
de havezathen Meijerink en Leemkuyl. Genoemd echtpaar kreeg 14
kinderen waaronder een doodgeboren kind terwijl 5 kinderen nog
geen jaar oud werden. Een kind stierf op 13-jarige leeftijd.
Van de zoons trouwde alleen de oudste Clemens
FrederikWilhelm. Hij trouwde met Aleida
Katharina Francisca Hövell. Bij zijn huwelijk
in 1811 kreeg hij van zijn vader kasteel
Doornenburg met bijbehorende goederen, groot samen ruim 80
ha. Bovendien kocht zijn vader voor hem het Suideras. Hij werd
zo heer van Suideras en Doornenburg en ging wonen op het Suideras.
Judocus van der Heyden van Baak
steeg snel in aanzien. In 1813 werd hij Baron de l'Empire.
Kort daarop werd hij bij souverein besluit van 14 januari 1815
nr. 18 opgenomen in de Ridderschap van Gelderland en bij Koninklijk
Besluit van 6 september 1822 nr. 114 werd hem de titel van Baron
verleend, overgaande bij eerstgeboorte. Hij was heer van Baak,
Luinhorst, Leemkuil, Doornenburg en Oud-Kell en was staatsraad
in buitengewone dienst. Judocus
had uit zijn huwelijk met Richmunda
Louise Dorothea von Daell tot Eyll veertien kinderen,
van wie er verschillende heel jong overleden.Het derde kind van
J.H.A. van der Heijden, Carolina
Anna Maria Josepha trouwde 27 october 1819 met Franz
Otto Henricus Maria Nicolaus von Wintgen zu Ermelinghof (in
het Munsterland). Zij kregen een dochter Mathilde
Richmund Frederica Anna Maria die trouwde met Josephus Ignatz Anton Clemens Marie Johannes
Nepomucenus van Twickel. Het vijfde kind, de dochter
Judith Richmond Louise trouwde
28 november 1829 met Ernestus Georgius
van Middachten van Vrieswijk. Zij hadden twee dochters
Richmond Augusta Judoca Henriette
die trouwde met Antonius Franciscus
Vos de Wael, en Engelbartha
Maria Bernardina Aloysia Augusta die in 1856 trouwde
met Gerhardus Antonius Helmich.
Het zesde kind, Louise Juliana
Francisca Antoinette, trouwde 19 juli 1831 met Clemens
Augustus Anthonius Ignatius Gerardus baron van Dorth tot Medler.
Joost Hendrik Anton stierf
19 september 1854, oud 89 jaar. Op 19 september 1850 had hij
aan de op een na oudste zoon, August
Alexander Willem, een niet geringe hoeveelheid goederen verkocht,
in hoofdzaak de volgende: Huize Baak, het Groene Hert, Tammink,
vier huizen op de kleine Veers, Hissink en klein Hissink, de
molen, het molenaarshuis, Boelengoed, de Drie Veldhoentjes, alles
met bijbehorende landerijen op de Veers en in de Kloot. Op 20
december 1850 had hij zijn testament gemaakt. Daarbij werden
goederen toebedeeld aan de zeven toen nog levende kinderen en
aan de drie kinderen van de oudste zoon, Clemens
Fr. W. van der Heijden van het Suideras. Het zou te veel
plaats vragen om dat allemaal tot in details te vermelden. Enkele
opmerkingen daarover: Zoon Aug.
Alex.W. kreeg een grote hoeveelheid toegewezen, onder andere
verschillende percelen bos in en bij het Baakse Broek, landerijen
in het Bakerveld, de Heerenweerd en aandelen in verschillende
andere gronden in de Bakerweerd, aandeel in Brandsenborg, Harenberg,
Hof te Baak en nog andere huizen, de weilanden langs de Bakerwaardse
Laak vanaf het Slavonder tot aan de Baakse Brug, de Zwijnsberg
en de Liesjesmaatjes. Zoon Lodewijk
Willem Johannes Josephus kreeg het Kervel met de Horstink,
aandeel in erve Bruil, en nog de Waltermaat. Zoon Adolph
Clemens Karel kreeg havezathe de Leemcuil (Hengelo), met
toebehoren, aandeel in enkele andere goederen onder Hengelo,
en nog aandeel in het IJlsland. Zoon Ernestus
Willem Canisius kreeg de Vree (onder Steenderen), Donderwinkel,
Klein Vrendenberg en aandeel in Groot Vrendenberg, Spittaal,
Jan Heitinksplaats (de Bult) en Tjoonkplaats (Klein Wantink)
en verder nog verschillende bouw- en weilanden onder Baak, de
Schiphorster en Veerster Tiende. Dan nog een eendenkooi plus
huis onder Beltrum, en enkele bouw- en weilanden in de Bakerweerd.
Aan dochter Carolina Anna Maria
werden verschillende goederen vermaakt onder Hengelo en Zelhem
en enkele landerijen in de Bakerweerd. Dochter Judith
Richmondis Louise ontving bouwplaats het W--kelt, gronden
op Bekelt en in Spalterbroek, aandeel in Helmichstede, de Spikmeen,
aandeel in het Smalle Water, en verder nog goederen onder Doetinchem,
Wijnbergen, Zeddam, Netterden en s'-Heerenberg. Dochter Louise
Juliana Francisca Antoinetta kreeg "de Hofstede"
(Bakerw.) en de havezathe de Luynhorst onder Didam. De drie kinderen
van Clemens Frederik Willem ontvingen hun
achtste deel van de boedel in geld."
Gezien het feit dat Judocus
ofwel Joost
gerekend kan worden tot de meest invloedrijke Van
der Heijdens van Baak heb ik hieronder de beschrijving
overgenomen van Pater Koekkoek waarin hij het leenstelsel uiteenzet.
"Huize Baak en het leenstelsel.
Het leenstelsel hield in dat de leenman van de leenheer het gebruik
kreeg van bepaalde goederen (kastelen, landerijen, rechten, ambten).
Oorspronkelijk kwam het leengoed bij de dood van de leenman weer
aan de leenheer. Later werden de lenen erfelijk. Bij de belening
moest de leenman de leenhulde brengen aan de leenheer en de leeneed
afleggen. Hierin beloofde hij zijn heer met raad en daad ter
zijde te staan. De leenhulde kon hierin bestaan dat de leenman
voor de leenheer neerknielde en zijn hand in de hand van de leenheer
legde of die hand kuste.
In het leenboek van Huize Baak staat een formule voor de leeneed
van de leenmannen:
"Eedt der Lheenluyden. Ick N geloeve (=beloof)
und sweere tho God mynen Lheenheren trouw und holt (=houw en
trouw) tho syn; syns besten tho verdedigen, archstes tho warnen
(=kwaad af te weren) und nhae mynen vermoegen tho kieren; dat
ick oock unnd mynen aervhen dat lheen soe duck des noet geboert
(=zo vaak dat nodig is) ontfangen, bedienen, vermaenen, und sunst
daernae doen zullen wess (=wat) getrouwe lheenluiden oeren (=hun)
heren schuldich synn tho doen, unnd dat ick hieraff geseekert
und beloefft heb sal ick stets unnd onverbroecken holden, wie
(=zoals) een from mann van ehren geboert (=betaamt); als my Godt
helpe."
Bij de belening was de leenman aan zijn leenheer het
zogenaamde "heergewaad" verschuldigd. Oorspronkelijk
was dat een deel van diens krijgsuitrusting; naderhand werd hiervoor
een geldbedrag vastgesteld. Bovendien moest de leenman ook nog
iets betalen aan de schrijver en aan de leenmannen die bij de
belening aanwezig waren als getuigen en raadslieden. Een leenman
mocht het leengoed niet verkopen of met een hypotheek bezwaren
zonder verlof van de leenheer. Dit verlof werd overigens gemakkelijk
gegeven. En verder kon hij met het leengoed vrijwel doen alsof
hij eigenaar was. Hij werd dan ook vaak de eigenaar genoemd van
het leengoed. Als er een nieuwe leenheer kwam, of als een erfgenaam
van de leenman het leengoed erfde, moest de leeneed vernieuwd
worden. De verplichting van de leenheer bestond hierin dat hij
de leenman moest beschermen. Het leenstelsel dateert al uit de
tijd van de Frankische koningen die delen van hun rijk in leen
gaven aan een leenman. Deze leenman moest dan tevens dat deel
van het rijk besturen. Op den duur gingen leenmannen delen van
hun leengoed ook weer in leen geven aan een leenman, enzovoorts.
De heer van Baak was een leenman van de graaf van Gelre. In de
oudste belening waarvan nog een aantekening over is (uit 1326),
wordt het leengoed omschreven als "t Goet to Bake ende den
tienden aldaer ende eene halve hoeve in Ellinchem." Eigenlijk
waren dat drie leengoederen. Van die halve hoeve in Ellinchem
horen we verder niets meer. Die tienden worden naderhand genoemd
"die thienden tot vierhusen als Garkinck, Wermeldinck, Mengerinck
ende Smedinck." Bij de belening van 21 october 1457 staat:
"die hofstede tot Baeck mytt den gueden luden ende voirt
allen synen toebehoren". Met die "luden" worden
wel horigen bedoeld. Dat waren dan mogelijk mensen die woonden
op de boerderijen die bij Huize Baak behoorden. Die boerderijen
met bijbehorend land waren dan de "goeden". Onder "allen
synen toebehoren" rekende men waarschijnlijk ook enkele
rechten als jachtrecht, het recht op een windmolen en het recht
van leenkamer, als dat laatste tenminste een speciaal recht was.
Welke nu de boerderijen en landerijen waren die tot het leengoed
'het guet to Bake" behoorden staat nergens aangegeven. Er
is een lijst van 29 juli 1766 die een overzicht geeft van de
bezittingen horend onder Huize Baak met een taxatie van de waarde.
Bij verschillende van die goederen staat bij dat het allodiale
goederen zijn d.w.z. eigen goederen, dus geen leengoederen of
feodale goederen. Bij een aantal staat niets bij. Moeten we daaruit
concluderen dat dit leengoederen zijn horend bij Huize Baak?
Het zou kunnen, maar ik betwijfel het sterk. Ik vermeld toch
de lijst om een indruk te geven van wat de heer van Baak bezat
onder Baak:
Het Huis te Baak cum annexis (=met toebehoren) f 6000
De Baakse Meulen:: het Molenaars Huis met whey en gront en schuer
daar die Rosmuill in gestaan heeft met de windmolen f 6000
Beckers Goed allodiaal, met 12,5 morgen wei en ruim 6,5 morgen
bouwland en met de hof en nog houtgewas f 11190
Erve Breukinck, allodiaal!, met ongeveer 9,5 morgen bouwland
en 7 morgen weiland f 8055
Houtgewasa onder Breukink f 3852
De Kerk Reyse, akkermaalshout + bomen f 3632
De Engelenborch (Donderwinkel) allodiaal met bouw- en weiland
en houtgewas f 6702
Quaterwiijk (in de Toldijk) met toebehoren f 5350
Wei Veermans weerdt te Bronkhorst, allodiaal f 3700
Wei, het Griet of Landschaps groot Griet, allodiaal f 3150
De Diepe Rijdt (Bakerweerd) allodiaal f 1525
Een aantal wei- en bouwlanden in de Bakerweerd die leengoed zijn
van Putten f 10358
Pieskes slagh, weide met bomen, allodiaal f 2050
Juffer Swaefkes weiland, allodiaal f 2200
De Lange Hofsteede of Boelengoed, leenroerig (d.w.z. leengoed
van) aan Bergh f 5440
De Bubbink met toebehoren (wsch. allodiaal) f 1130
Het landje met de bult (wsch. allodiaal) f 400
Erve Woekholt, met toebehoren, allodiaal f 5070
Het goed Wormeldinck (Toldijk) (allodiaal?) f 1853
Tot het leengoed "het goet te Baeck" blijkt
alleen te horen Huize Baak met onmiddellijke omgeving en de molen
met toebehoren. Vreemd genoeg staat hier Breukink vermeld als
allodiaal, terwijl het in de leenregisters aangegeven staat als
een leen van de graven van Gelre. Het bezit van de Heren van
Baak is in 1766 niet onaanzienlijk, maar toch ook niet indrukwekkend.
Tegen het midden van de 19e eeuw zal dit bezit zijn hoogtepunt
krijgen. Baron J.H.A. van der Heijden
bezit dan in de gemeente Steenderen een 635 ha met een aantal
boerderijen en boerderijtjes, in de gemeente Hengelo ook een
689 ha met eveneens een aantal boerderijen en verder in verschillende
andere gemeenten nog een aanzienlijk aantal goederen. Hiervoor
werd al even aangestipt dat Huize Baak een leenkamer bezat. Dat
betekent dat de heren van Baak zelf ook leenheren waren die een
aantal goederen in leen uitgaven. Dat werd van een bepaalde tijd
af genoteerd in een "Leenboeck des Huises Baeck unnd des
Huises Hackvoordtt". Op het moment dat dit leenboek werd
aangelegd waren Baak en Hackvoort in één hand.
Waarschijnlijk heeft Jacoba van Hackvoort, weduwe van Goossen
van Raesfeldt, dochter van Berend van Hackvoort, dit boek laten
aanleggen, en wel omstreeks 1571. Bij die lenen waren dus ook
lenen van Hackvoort. De leengoederen van Baak en Hackfort waren
de volgende:
1. Tienden in Almen en Warnsveld.
2. De Dortmunsche Tienden of Tienden to Suyren (in Voorst).
3. Het Onlandt of Capellenbos (in de Toldijk).
4. Wullinck Slag of Walremaete (in de Bakerweerd).
5. Peissen Slach of Peiskes Slach (in de Bakerweerd).
6. Landt en Tienden op den Zutphensen Enck.
7. Vlamminck of Flamminck (in de Toldijk).
8. De Kleine Lankhorst of Vosje of Oude Vos (Wichmond).
10. IJckinck of Ickinck (Hengelo).
11. Uylen Bongaert (in Baak).
Bij latere beleningen, als Baak en Hackvoort niet
meer in één hand zijn, blijken de goederen 1, 4
en 5 geen lenen van Baak te zijn. Dat waren dus lenen van Hackvoort.
In genoemd leenboek wordt ook vermeld wat de kosten zijn van
een belening van zo'n Baaks of Hackvoorts leen:
"Een beleeninge costet wegen t hergewaet zeven
golt gulden, den goltgulden ad 28 stuyvers brabantz. Item ses
quarten wyns als voir twee mannen van leene und den schryver.
Item den schryver vanden brieff tho maecken eenen schilt, off
anderhalven goltgulden ad 28 st den goltgulden".
In de Franse tijd werd het leenstelsel afgeschaft
bij art. 25 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van
de Staatregeling van 1798. De Staatregelingen van 1801 art. 16
en 1805 art. 9 verklaarden dat het leenrecht was afgeschaft en
dat alle leengoederen eigen goederen werden van de leenmannen".
Van die schadeloosstelling is bij mijn weten niets terecht gekomen.
Het tiendrecht
We zagen boven dat de heren van Baak ook beleend werden
met de tienden van vier huizen. Later werden die tienden ook
wel de Vierhuistienden genoemd. En misschien zijn die dezelfde
als de Veerstienden. Dat de heren van Baak beleend werden met
tienden betekende dat zij het tiende deel ontvingen van de opbrengst
van de korenvelden en mogelijk ook van andere gewassen. Het tiendrecht
is al van zeer oude oorsprong. Oorspronkelijk was het een recht
dat samenhing met de godsdienst. Al in de oudste bijbelboeken
wordt erover gesproken. In eht boek Leviticus bijvoorbeeld zegt
Mozes tot de Isarëlieten: "Het tiende gedeelte van
alles wat je land aan koren en vruchten oplevert, komt toe aan
de Heer". En ook nog: "Bij de telling van je runderen,
schapen of geiten moet steeds het tiende dier apart gezet worden;
het komt toe aan de Heer". Ook bij het Christendom vond
het zijn plaats. In de wetten die Karel de Grote opstelde voor
de Saksen lezen we: "Eveneens bevelen wij volgens Gods bevel,
dat allen het tiende deel van hun goed en hun arbeid moeten geven
aan hun kerken en priesters". Veel kloosters en kerken kregen
zo tiendrechten. Later kwamen deze ook in handen van leken. Men
kende verschillende soorten tienden:
Grove tienden (ook kleine tienden genoemd) werden geheven van
allerhande soorten koren.
Smalle tienden (ook kleine tienden genoemd) werden geheven van
tuinvruchten, hooi, vlas, hennep, etc.
Krijtende tienden (ook bloedtienden genoemd) werden geheven van
jongen van dieren als biggen, ganzen, etc.
Novale tienden werden geheven van pas ontgonnen land.
Tot in het begin van deze eeuw was veel land tiendplichtig. Vaak
inde de "tiendheer" niet zelf die tienden maar verpachtte
hij die.
Bij de wet van 16 juli 1907 werden alle tienden opgeheven met
ingang van 1 januari 1909. Aan de tiendgerechtigden werd door
de staat de gekapitaliseerde waarde der tienden uitbetaald.
In de leenregisters van het Graafschap Gelre die betrekking
hebben op "het goet te Baeck" wordt dit goed enkele
keren de Hof te Baak genoemd. Daaruit hebben sommigen de conclusie
getrokken dat Huize Baak ontstaan zou zijn uit een afsplitsing
van de Hof te Baak. Ik geloof dat niet en wel om de volgende
redenen (JH: Klinkklare onzin):
1. Bij de oudst bewaard gebleven beleningen staat
"t Goet te Baeck", en niet de Hof te Baak.
2. Nergens wordt er iets gezegd over een afsplitsing.
3. Leden van het geslacht "van Baeck" (uitgestorven
1476) (dus uitgestorven vóór het overlijden van
Anna van Baeck van Middachten 1625, JH) kom ik tegen in een 200-tal
actes. In geen enkele van die actes is er sprake van een of andere
band met de Hof te Baak.
4. In 1344 leende hertog Reinoud van Gelre geld van de steden
Wageningen en Arnhem; hij stelde hierbij de Hof te Baak als onderpand.
Zoiets kan men niet doen met een leengoed. In 1462 leent Arnoud
van Gelre 15.000 Rijnse guldens van Derk, Johan en Gijsbert van
Wisch (= Van Heyden, JH), waarvoor ze jaarlijks 11 pond zullen
krijgen o.a. uit de Hof te Baak. In 1465 kreeg Evert van Ulft
de hof te Baak in onderpand van Hendrik van Ghemen. Dat zou allemaal
niet kunnen als de Hof te Baak een leengoed geweest was. (JH:
Conclusie: het was een allodiaal goed van de familie van Heyden).
Het recht van Havezathe
Oorspronkelijk werd de titel havezathe gegeven aan een wat groter
huis met bijbehorende landerijen. Later werd er een versterkt
huis mee aangeduid, omringd met grachten, waaraan bepaalde rechten
verbonden waren. De bewoners van die havezathe konden over het
algemeen slechts van die voorrechten genieten als voldaan werd
aan bepaalde voorwaarden. In de Graafschap moest men tot de Zutphense
Ridderschap behoren; en daarin werd men slechts toegelaten als
men kon aantonen dat de grootouders van vaders- en moederszijde
alle vier van adel waren. Bovendien moest men na omstreeks 1620
tot de Hervormde godsdienst behoren. Een van de voorrechten aan
een havezathe verbonden was, dat de eigenaar mocht deelnemen
aan de zogenaamde kwartiersvergaderingen. Dat waren de vergaderingen
van de Staten van het Kwartier van Zutphen. (Gelderland was tot
aan de Franse tijd verdeeld in drie kwartieren, elk met een eigen
bestuur.) De ridders die op de kwartierdagen verschenen kregen
een "douceurtje" van 200 gulden!"
|
|